Meer werk in de bouw – dus ook meer vaste banen?

Na  een lange serie van positieve berichten over de werkgelegenheid in de bouw lijkt de crisis definitief achter ons te liggen. Vroeger betekende een economische opleving automatisch ook een groei in het aantal (vaste) banen in de bouw- en installatiesector. Op dit moment lijkt dit echter nauwelijks het geval.

De WWZ (Wet Werk en Zekerheid) streeft volgens het kabinet naar “structurele verbeteringen van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid”. De wet bevat talrijke maatregelen om de arbeidsmarkt fatsoenlijker te maken en aan te passen aan de veranderende arbeidsverhoudingen in de samenleving, In de praktijk blijkt echter dat werkgevers geconfronteerd worden met veel extra risico’s en onzekerheden. Om deze te beperken moet de werkgever voortdurend inzicht hebben in onder meer;

  • de mate waarin iedere arbeidsovereenkomst voldoet aan de laatste eisen,
  • het aantal medewerkers dat in aanmerking komt voor een transitievergoeding,
  • de randvoorwaarden van een eventueel geldende cao,
  • de wenselijkheid van een concurrentiebeding,
  • de wenselijkheid van een proeftijd bij tijdelijke contracten,
  • het aflopen van tijdelijke contracten i.v.m. de aanzegtermijn, en
  • het aantal tijdelijke contracten dat een medewerker al heeft gehad.

Het is dan ook verstandig voor werkgevers om nog eens met een analytische blik naar hun personeelsbestand te kijken. Onder de huidige wetgeving lijkt een ruime flexibele schil nog steeds eenvoudiger en minder riskant dan het aannemen van meer vaste medewerkers.